Half januari reisde agrarisch bestuurlijk Nederland traditiegetrouw af naar Berlijn voor de Grüne Woche. Een beurs waar boeren, producenten en consumenten uit alle werelddelen elkaar ontmoeten, waar producten worden gepresenteerd, innovaties getoond en kennis gedeeld. Dit jaar was extra bijzonder: de honderdste editie van deze internationale landbouw- en voedselbeurs. En ook Nederland was van de partij, voor de 75e keer zelfs.
Nederland presenteert zich daar zoals we dat al decennia doen: met kwaliteit, vakmanschap en een flinke dosis folklore. Frau Antje, de haringkar, de stroopwafelbakker en natuurlijk Kleintje Pils, die inmiddels net zo vast bij de Grüne Woche – en daarmee onze sector – hoort als bij grote sportevenementen. De sfeer zit wel goed. Maar achter die vrolijke noot schuilt een serieuze boodschap.
Want traditioneel is de Grüne Woche ook het podium waar de minister de exportcijfers van de Nederlandse land- en tuinbouw presenteert. En ondanks alle tegenwind die we ervaren, zijn die cijfers ronduit indrukwekkend. In 2025 exporteerde Nederland voor maar liefst 137,5 miljard euro aan landbouwproducten, een stijging van 8,4 procent ten opzichte van 2024. Zuivel, eieren, vlees, sierteelt en cacao voeren de lijst aan. De belangrijkste bestemmingen: Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk. Het zijn cijfers om trots op te zijn. Simpelweg wereldklasse.
Ook politiek Den Haag was vertegenwoordigd. Leden van de Tweede en Eerste Kamer liepen over de beurs, spraken met ondernemers en hoorden de lof van buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders. De vraag is alleen: klinkt die waardering straks ook door in de Haagse debatten, of verdwijnt deze zodra men maandag weer achter het bureau kruipt en de pen oppakt?
Want terwijl in Berlijn de successen worden gevierd, wordt in Nederland driftig geschreven aan plannen om de veehouderij fors te laten krimpen. In Utrecht werkt men aan een toekomstbeeld waarin het platteland vooral ruimte moet bieden aan woningbouw, datacentra, windmolens en zonneweides. De koe in de wei wordt ingeruild voor beton en staal. Voedselproductie lijkt daarbij een sluitpost. En wat vandaag provinciaal beleid is, kan morgen zomaar op de formatietafel belanden en onderdeel zijn van een coalitieakkoord.
Het wringt. En het schuurt. Hoe leg je aan boeren en ondernemers uit dat zij internationaal worden bewierookt, terwijl zij nationaal steeds worden weggezet als probleem? Hoe rijm je recordexporten met een politieke koers die inzet op krimp, afbouw en uitkoop?
Het dilemma is pijnlijk zichtbaar: bewindspersonen, provinciebestuurders en ambtenaren die in Berlijn met overtuiging spreken over trots en vakmanschap, maar die thuis worden ingekaderd door een koers waar nauwelijks aan te ontsnappen valt. Ambtenaren die de koers vastleggen, uitrollen en handhaven. Trots op vrijdag, krimp op maandag.
De waarschuwing van demissionair staatssecretaris Rummenie op het podium in Berlijn verdient daarom meer aandacht dan zij tot nu toe krijgt. De consument moet ‘voedselwakker’ worden, weten waar voedsel vandaan komt en begrijpen dat voedselzekerheid geen vanzelfsprekendheid is. Zeker niet in een wereld waarin geopolitieke spanningen oplopen, handelsstromen onder druk staan en landen hun grondstoffen veiligstellen. Voedsel wordt weer macht. Behalve in Nederland.
Want terwijl andere landen strategisch investeren in hun voedselproductie, lijkt Nederland vooral bezig met het verdelen van de ruimte nadat de boer is verdwenen. Alsof je eerst de motor uit een auto sloopt en je daarna verbaast dat hij niet meer rijdt. We exporteren wereldklasse, maar maken beleid alsof voedsel uit het stopcontact komt.
Het wordt tijd dat Den Haag kiest. Of we blijven een landbouwland dat trots is op zijn boeren, ondernemers en de bijdrage aan voedselzekerheid, of we accepteren dat Berlijn voortaan alleen nog applaus hoort voor wat Nederland ooit was. Want wie vandaag zijn boeren wegreguleert, importeert morgen zijn afhankelijkheid. En die rekening wordt altijd betaald door de consument.