Met het schrijven van deze column waren de meeste mensen nog druk met de voorbereidingen voor Kerst. De kerstversiering hing, de lampjes schitterden en de boodschappenlijstjes werden afgestreept. Menig kerstmenu bestond ook dit jaar uit de kalkoen, gourmetten met familie of een rollade – liefst zoals alleen uw moeder die kon klaarmaken. En wat er ook op tafel kwam, geen gerecht was compleet zonder bijpassende groente en een dessert om het af te maken.
Weinig mensen zullen in deze dagen stilstaan bij waar ons eten vandaan komt, of bij alles wat nodig is om ervoor te zorgen dat de borden weer rijkelijk gevuld zijn. Dat is begrijpelijk; Kerst is een tijd van samen zijn, van rust en van genieten. Juist daarom dwaalden mijn gedachten af naar die ene vraag: hoe kan het toch dat de sectoren die dit alles mogelijk maken zo ongelooflijk onder druk staan?
Hoe kan het dat er zo weinig besef lijkt te zijn van het nut en de noodzaak om in Nederland zelf ons voedsel te produceren? Recent verscheen het rapport Wennink, de oud-ASML-topman, waarin met het grootste gemak boeren – en daarmee handel, transport en verwerkende industrie – worden ingeruild voor datacentra en kunstmatige intelligentie. Alsof voedselproductie een verouderd concept is dat probleemloos kan worden uitbesteed aan het buitenland. Alsof u eten net zo eenvoudig kunt importeren als data.
Daarbovenop de politieke voorstellen van de Partij voor de Dieren, die de (intensieve) veehouderij simpelweg willen verbieden. Zonder oog voor de consument, de keten die achter de veehouderij schuilgaat, en alsof iedereen staat te juichen om veganist te worden. Of de provinciale plannen, zoals in West-Brabant, die worden vastgesteld zonder juridische zekerheid en zonder financieel perspectief. In gewoon Nederlands: een enkele reis naar de uitgang voor boeren en ondernemers die generaties lang hebben geïnvesteerd in hun bedrijf.
Ook in Europa rommelt het. Duizenden boeren zijn de weg opgegaan. Ze laten hun ongenoegen blijken, soms met middelen die nooit goed te praten zijn. Maar het signaal is duidelijk: het systeem knelt. Het is bizar dat Europa handelsdeals sluit met Zuid-Amerika, waardoor landbouwproducten eenvoudiger kunnen worden geïmporteerd, terwijl hier de regels steeds verder worden aangescherpt. We gaan voedsel importeren dat we zelf niet meer mogen produceren. Dat is geen eerlijk verhaal richting de consument. Groen prediken, maar rood doen.
Wat het extra wrang maakt: dit beleid wordt mede gefinancierd door de belastingbetaler. NGO’s krijgen Europese subsidies om overheden en mensen te beïnvloeden, terwijl diezelfde burger uiteindelijk de rekening betaalt. Wie daar vragen bij stelt, wordt al snel weggezet als (extreem)rechts. Kritiek op Europa, op het groene beleid of op het papieren stikstofprobleem lijkt nauwelijks nog toegestaan. De echte vraag blijft ook hier onbeantwoord: waarom betaalt de belastingbetaler voor lobby tegen zichzelf? Lobby tegen boeren, tegen het eten van vlees, tegen ondernemerschap en tegen voedselzekerheid.
Het is een vraag die mij al even bezighoudt en die aan het begin van dit nieuwe jaar alleen maar urgenter is geworden. Ben ik dan echt zo extreem geworden, of zijn de mensen die nu aan het formeren zijn ziende blind en horende doof? Ik neig naar dat laatste. En dat belooft weinig goeds. Want als de huidige koers wordt doorgezet, zullen we over een paar jaar – alle waarschuwingen ten spijt – opnieuw horen: “Daar heb ik geen actieve herinnering aan.”
We staan politiek en maatschappelijk voor een uitdagend jaar. We gaan deze uitdaging aan! Met alle energie en overtuigingskracht. Het gaat immers over ons: ons werk, ons voedsel, onze samenleving.
Ik wens u allen een mooi 2026 met veel geluk en gezondheid!